Mei 2004
Theater in Den Haag
Enige jaren geleden schreef Hans Revier, directeur van de Waddenvereniging, een column met deze titel. En de laatste weken moet ik bekennen dat ik het eens ben met de observaties van Revier, ondanks onze grote reguliere meningsverschillen. Opmerkelijk wellicht maar zeker niet onverwachts voor diegenen die het politiek spectrum van bijvoorbeeld beleidscommissies volgen. De afgelopen weken is binnen en buiten de sector veel nagepraat over het rapport van de commissie Meijer. En de gemoederen lopen zo nu en dan nog hoog op.Van vele kanten hoor ik kwalificaties zoals: kokkelvisserij als wisselgeld in het moeizame debat over gaswinning en het doekje voor het bloeden voor het weinig groene hart van dit kabinet.
Er zijn vele theorieën en wellicht zelfs complottheorieën te bedenken, maar daarmee verval je, zoals ik ook tegen één van de kokkelvissers zei, in emotionele en niet rationele argumenten. Zijn antwoord was typerend en terecht: “Het is ook emotie! Het gaat hier om mijn bedrijf, mijn familiekapitaal en mijn beroep dat binnen mijn familie al generaties lang wordt uitgeoefend. Het gaat inmiddels alleen maar om emoties want naar normale argumenten wordt niet geluisterd.” Het zal u niet verbazen dat ik deze reacties veel hoor en ze raken mij meer dan ooit. Waarom? Omdat eerlijk vakmanschap met oog en respect voor de natuur lijkt te worden opgeofferd door een commissie die wordt geleid door de voorzitter van de Mijnraad die altijd fervent voorstander was van gaswinning in de Wadden. Vissers die al generatie op generatie werken in de Waddenzee worden verwezen naar het openluchtmuseum als historische noviteit, ondanks de innovatieve doelstellingen van de EU.
Is er dan geen enkele hoop meer? Vanuit de Commissie Meijer hebben we de mogelijkheid gekregen om binnen zeven jaar volledig over te gaan op duurzamer vissen. Een streven dat de sector al langer heeft, maar dit kan niet binnen zeven jaar. Het kunstmatig opkweken van kokkels, zoals de Commissie Meijer voorstelt, gebeurt tot op heden nergens in de wereld. Het ervaring opdoen met het uitdunnen en verzaaien van te dichte of kansarme wilde kokkelbanken is door vergunningverleners tot nu toe tegengehouden. Indien we definitief overgaan tot het invoeren van nieuwe technieken is echter tijd en rust een vereiste. En iedere leek kan bedenken dat zeven jaar dan onvoldoende is. Een chique manier om een oer-Hollandse sector de das om te doen? De hoop van de sector is nu gericht op de ministeriële burelen in Den Haag.
De komende maanden wordt gewerkt aan een kabinetsstandpunt. En dan komt het erop aan: wordt de kokkelvisserij het wisselgeld voor het naïeve denkbeeld dat we - ondanks gasboringen, wadlopen, recreatievaart, garnalenvisserij, schelpenwinning, zeepierenwinning, beroepsvaart en noem maar op – in Nederland een “last wilderness” hebben die met het verdwijnen van een gezonde economische en hoogwaardige kokkelvisserij is gered?
Theater in Den Haag. Bij nader inzien is het toch geen goede typering. Misschien is het eerder een variant van het kinderspel “Schipper mag ik overvaren?” en op de vraag “hoe?” blijven we verwachtingsvol kijken naar de betrokken ministers. Jaap Holstein
April 2004
Commissie Meijer: "Voor wat, hoort wat"
“Voor wat, hoort wat.” Dat moet het motto zijn geweest van de commissie Meijer toen achter de vergadertafel werd besloten positief te adviseren over het boren naar gas in de Waddenzee. In ieder geval is dat mijn impressie van het rapport van de commissie Meijer, dat vandaag is verschenen.
De commissie Meijer werd ingesteld door staatssecretaris Van Geel met als doel de mogelijkheden voor economische activiteiten in de Waddenzee nader te bezien. Maar de vraag is of het echt ging om alle economische activiteiten. Binnen het kabinet bestond immers onenigheid over de mogelijkheid van gasboringen en de commissie Meijer had dan ook als onderliggende agenda het winnen van gas in het Waddengebied maatschappelijk aanvaardbaar te maken. Het is opmerkelijk dat juist de heer Meijer voor dit onderzoek is gevraagd omdat hij ook de voorzitter is van de Mijnraad, het adviesorgaan met onder andere als werkterrein gaswinning. Maar er zijn nog meer merkwaardigheden aan te geven rond het functioneren van de commissie Meijer. De adviseurs die de commissie terzijde stonden zijn de medewerkers van IMSA, het bureau van Wouter van Dieren, en Han Lindeboom. De heer Van Dieren wordt al enige tijd door Shell en de NAM gesponsord, hetgeen zeker zijn advisering gekleurd heeft. De heer Lindeboom is werkzaam bij Alterra, een instituut dat onderzoek voor de NAM heeft gedaan omtrent de effecten van gaswinning en tot de conclusie kwam dat gaswinning op een ecologisch verantwoorden wijze mogelijk is. Alterra heeft de afgelopen jaren een negatieve basishouding uitgedragen als het gaat om de schelpdiervisserij in Nederland.
De commissie stelt in haar advies dat de kokkelvisserij toekomst heeft maar alleen op duurzame wijze. Een conclusie waar we ons in kunnen vinden. Al jaren zij we druk bezig om duurzaam vissen in te voeren door bijvoorbeeld verregaande ingrepen in de vloot en het collectief vissen. Maar er is ook ruimte nodig om een dergelijke koers te varen. Als sector hebben we inmiddels verschillende verzoeken gedaan om proeven te mogen doen met het verzaaien van kokkels in de Waddenzee en van de Westerschelde naar de Oosterschelde. Echter tot heden zijn deze verzoeken afgewezen. En ondanks dergelijke afwijzingen moet binnen zeven jaar -waarin steeds verdergaande restricties worden opgelegd- duurzaam vissen gerealiseerd worden? Gaat het hierbij niet om invulling van de bekende spreuk “Tussen droom en werkelijkheid staan praktische bezwaren” ? Het lijkt er in ieder geval er op dat de intenties juist zijn, maar realiteitszin ontbreekt.
De wijze waarop de denkrichting van de commissie wordt onderbouwd is verbazingwekkend. Er is een beperkte en zeer selectieve keuze gemaakt uit het materiaal van EVA II en deze keuze wordt op eigen wijze geïnterpreteerd. Dit geldt eveneens voor de genodigden voor een discussiebijeenkomst die IMSA heeft georganiseerd met onder andere als doelstelling een index op te stellen van schadelijkheid van menselijke activiteiten in het Waddengebeid. Niemand van de sector was hierbij aanwezig. Door deze werkwijze is een beeld ontstaan waar de kokkelvisserij zich niet in herkend, maar belangrijker nog waarin we als sector zelfs het EVA II-rapport niet herkennen.
De afgelopen weken zijn de conclusies van de commissie Meijer uitgelekt in de media. En iedereen heeft zijn zegje al gedaan. De Waddenvereniging gaf aan meer het overleg en compromis te willen gaan zoeken. Ik kijk daar naar uit. Een gesprek is een eerste stap richting duurzaam vissen want we willen samen met alle betrokkenen de toekomst van de Wadden veilig stellen. Visser Arie Bakker verwoordde het zo mooi in het Radio 1 Journaal: “We vissen al zo lang in de Waddenzee. Waarom zouden we onze eigen boterham helemaal willen opeten zodat we niets meer voor de toekomst hebben.” Wellicht had deze simpele conclusie ook moeten spelen in de hoofden van de leden van de commissie Meijer. Een gesprek met de sector had in dit opzicht de ogen kunnen openen. En dat valt mij persoonlijk vooral tegen van de heer Hermans die als voorzitter MKB toch weet dat de Haagse bureauvisie vaak niet overeen komt met de dagelijkse praktijk. De heer Veerman, de bewindspersoon die verantwoordelijk is voor het nieuwe visserijbeleid, is nu aan zet. Wij wachten af.
Jaap Holstein
april 2004
Reactie op het advies van de Adviesgroep Waddenzeebeleid (Commissie Meijer) ‘Ruimte voor de Wadden’
Op 31 maart 2004 presenteerde de door het kabinet ingestelde Adviesgroep Waddenbeleid (hierna: Commissie Meijer) haar advies ‘Ruimte voor de Wadden’. Deze notitie verwoordt de reactie van de gezamenlijke schelpdiersectoren op dit advies.
Algemeen
De sector heeft met verbijstering kennis genomen van het uiteindelijke advies. Hoewel de Commissie Meijer onze overtuiging deelt dat verduurzaming van de mechanische kokkelvisserij mogelijk is, zijn de randvoorwaarden die hieraan worden gekoppeld dermate knellend dat deze verduurzaming feitelijk bij voorbaat onmogelijk wordt gemaakt.
Hevig geschrokken zijn wij ook van het advies met betrekking tot de mosselkweek. De commissie Meijer lijkt de resultaten van het EVA II-onderzoek voor deze sector volledig naast zich neer te leggen. Ook aan de voorstellen van ODUS voor een duurzamere mosselkweek wordt voorbij gegaan. Bovendien geeft zij blijk van een beperkte kennis van de haalbaarheid van alternatieve zaadwinning als zij als randvoorwaarde stelt dat binnen zeven jaar de volledige mosselzaadbehoefte (65 miljoen kilo) gedekt moet worden door ‘kunstmatig zaad’.
Indien het advies voor de schelpdiervisserij gevolgd zou worden, valt het doek voor de Nederlandse schelpdiersector. Een klein aantal aanvoerende bedrijven (handkokkelaars, hangcultures, oesters, spisula en mesheften) zal overblijven; de handel en verwerkende industrie zullen echter nagenoeg verdwijnen. Dit betekent direct het verlies van vele duizenden arbeidsplaatsen (met name in Zeeland en deels in Harlingen), het verlies van onze sterk concurrerende Zeeuwse mossel en het verlies van onze concurrentiepositie in de Europese markt. Naast het verlies aan werkgelegenheid in de aanvoer, handel en verwerking zal het verlies van de mossel- en kokkelsector gevolgen hebben voor de werkgelegenheid in de ondersteunende sectoren (visserijorganisaties, Mosselkantoor, onderzoeksinstituten, scheepswerven, toeleveranciers e.d.).
De Commissie Meijer heeft deze implicaties onvoldoende in haar advisering betrokken c.q. heeft deze mogelijk niet doorzien.
Het risico voor de verduurzamingslag wordt volledig bij de sector neergelegd, zowel wat betreft de financiële aspecten als het tijdsbeslag dat deze vergt. Er wordt geen financiering vrijgemaakt (middels het genoemde investeringsplan) voor de kostbare omschakeling naar een kokkelvisserij nieuwe stijl en onderzoek naar alternatieve mosselzaadwinning.
De omschakeling naar kokkelkweek en alternatieve zaadwinning moet binnen zevenjaar plaatsvinden. Als de verduurzaming mislukt, vindt een koude sanering plaats. Wij vinden dit onbegrijpelijk en ook niet passen binnen de richting van het advies.
Specifiek commentaar ‘Schelpdiervisserij binnen natuurgrenzen’
Ernst van de effecten van de schelpdiervisserij
De Commissie Meijer heeft zich gedurende de voorbereiding van het advies laten bijstaan door het Instituut voor Milieu- en Systeemanalyse (IMSA) onder leiding van Wouter van Dieren. Dit is geen wetenschappelijk erkend instituut en de gebruikte aanpak kan de wetenschappelijke toets der kritiek niet doorstaan. Herhaaldelijke uitlatingen in de media door Van Dieren suggereren dat op een bepaalde uitkomst werd ingezet.
De Commissie Meijer concludeert dat de visserij op kokkels en mossels de meest negatieve gevolgen voor het Waddenzee-ecosysteem heeft (pagina 34). Zij baseert zich hierbij op “gezaghebbende wetenschappers”. In het kader van het EVA II-onderzoek zijn de effecten van de schelpdiervisserij en het gevoerde beleid in kaart gebracht. EVA II deed geen uitspraken over de ernst of impact van deze effecten in verhouding tot de effecten van andere activiteiten of autonome processen. Wij gaan er daarom van uit dat de Commissie Meijer verwijst naar een bijeenkomst georganiseerd door het bureau IMSA in de Fryske Academie (15 januari 2004). Hiernaar wordt ook verwezen op pagina 17 van het advies. Het is zeer verbazingwekkend en verontrustend dat de Commissie Meijer meer waarde lijkt te hechten aan de uitkomsten van een eendaagse workshop dan aan de uitkomsten van een grondig EVA II onderzoek. Dit is temeer onbegrijpelijk daar op het proces en de inhoud van de IMSA-workshop nogal wat is af te dingen:
- De in eerste instantie voor wetenschappers bedoelde workshop werd uiteindelijk een workshop voor (een selecte groep) wetenschappers en belangengroepen. Omdat de workshop verplaatst werd, kon de visserijsector uiteindelijk niet aanwezig zijn
- Bedoeling was om voor en na de discussie scores te geven aan de onderdelen in het zogenaamde cascademodel. De discussie zou zich vervolgens richten op de onderwerpen waarover de meningen verschilden. Een aantal aanwezigen wilde niet meewerken aan deze manier van scoren (wetenschap is geen democratisch proces; niet te verenigingen met ambtelijke verantwoordelijkheid). Dit leidde ertoe dat de scores geen representatieve weergave vormden van de meningen van de aanwezigen. Kokkelvisserij scoorde overwegend op ‘zeer schadelijk’ en werd als ‘consensusscore’ buiten de discussie gehouden. De kritische kanttekeningen die bij deze gang van zaken zijn geplaatst, zijn niet verwoord in het rapport van de bijeenkomst.
Opvallend is voorts de wijze waarop visserijeffecten worden behandeld vergeleken met gaswin-effecten. Alleen de laatste worden bezien in het licht van de natuurlijke dynamiek van het Waddengebied. Daarbij worden de onzekerheden bij gaswinning wel benoemd, maar niet meegenomen in de beoordeling, terwijl dit bij schelpdiervisserij wel gebeurt.
Effecten kokkelvisserij
De op pagina 25 genoemde bewezen en aannemelijke effecten van de kokkelvisserij zijn op een aantal onderdelen suggestief of onvolledig weergegeven:
- Er zijn gemiddeld niet minder oudere kokkels op beviste locaties gevonden.
- Verstoring van zeegras treedt alleen op als er in zeegrasvelden wordt gevist. In de visplannen wordt opgenomen dat zeegrasvelden uitgesloten zijn van visserij. De afgelopen jaren heeft zich een keer een incident voorgedaan, toen een locatie niet was doorgegeven en voorafgaand aan de visserij daar ook geen zeegras is aangetroffen. Het zeegras is na de visserij weer teruggekomen. Ook uit EVA II blijken “geen aanwijzingen dat kokkelvisserij de kans op vestiging van zeegras na 1993 heeft beïnvloed” (EVA II publieksversie, pagina 25).
- Er is geen sprake van minder broedval van mosselen op beviste locaties.
- Er zijn in één jaar minder nonnetjes en in een ander jaar meer nonnetjes gevonden op beviste locaties.
- Er zijn geen aanwijzingen dat kokkelvisserij leidt tot minder kokkelbroed.
- Onduidelijk is uit welk onderzoek blijkt dat de kokkelvisserij heeft bijgedragen aan de waargenomen verschuiving van kokkels naar hogere platen. Het verschijnsel treedt ook op in de gesloten gebieden.
- Wat ontbreekt is dat scholeksters in de open gebieden minder hard zijn afgenomen dan in de gesloten gebieden. Deze conclusie mag niet ontbreken als er wel wordt verwezen naar de iets mindere conditie van scholeksters in de beviste gebieden. Overigens kon er geen verband worden toegeschreven tussen verminderde conditie en visserij.
Kortom, de Commissie Meijer trekt op grond van een deels onjuiste weergave van EVA II de conclusie dat kokkelvisserij een duidelijke negatieve invloed op het ecosysteem heeft en dat niet wordt voldaan aan de criteria voor menselijk medegebruik in het kader van de hoofddoelstelling van de Waddenzee.
Effecten mosselvisserij
Ook bij het lijstje bewezen effecten van de mosselvisserij op pagina 36 zijn kanttekeningen te plaatsen:
- Uit EVA II blijkt dat er in de periode 1970-1990 ”mogelijk” meer eidereenden overwinterden dan zonder mosselkweek het geval zou zijn geweest.
- EVA II constateerde inderdaad dat de kans op verhoogde eidereendensterfte toeneemt bij een bezetting van de mosselpercelen van minder dan 60 miljoen kilo meerjarige mosselen. Wanneer deze lijn van 60 miljoen kilo wordt ingetekend in de grafiek van de mosselaanvoer dan blijkt de aanvoer van het wad sinds 1990 steeds ver onder deze drempel te hebben gelegen (met uitzondering van 1998). Volgens de voorspellingen zou in die hele periode verhoogde sterfte zijn opgetreden, terwijl dit niet het geval was. Deze en andere kritische noten bij het EVA II-onderzoek naar de voedselbehoefte van eidereenden zijn niet meegenomen in het advies van de Commissie Meijer.
- Dat bevissing de stabiliteit van banken niet verandert, kon niet (in positieve dan wel negatieve zin) worden aangetoond in een eenmalig experiment. Wel kon worden aangetoond dat er via Jan Louw-bevissing grondstoffen voor de kweek van mosselbanken kunnen worden gehaald zonder dat dit tot extra verliezen van banken leidt (de winter na de bevissing was er geen verschil in bedekking en biomassa van beviste banken en de niet-beviste controlebanken). Deze laatste belangrijke conclusie wordt niet genoemd.
De Commissie Meijer geeft een zeer eenzijdig beeld van het verdwijnen van de mosselbanken in het verleden door dit volledig toe te schrijven aan de mosselzaadvisserij. Hieruit blijkt een onvoldoende inzicht in de dynamiek van de Waddenzee. EVA II concludeert dat een uitblijvende zaadval in combinatie met voortgaande visserij en stormen als waarschijnlijke oorzaken moeten worden gezien. Daarnaast hechten wij eraan te benadrukken dat de zaadvisserij destijds plaatsvond met vergunningen van de overheid. Sinds 1991 voert de mosselsector een actief beleid dat gericht is op het efficiënt benutten van mosselzaad en het beschermen van droogvallende mosselbanken. Door genoemd eenzijdig beeld onderschat de Commissie Meijer ook het positieve effect van de mosselkweek op de eidereenden.
Economische effecten
Het economisch belang van de schelpdiersector wordt gebaseerd op een rapport van het Landbouweconomisch Instituut. Op dit rapport is destijds door de visserijsector kritisch gereageerd. De gehanteerde cijfers bleken nogal conservatief te zijn.
Op basis van een eigen inventarisatie van de werkgelegenheid en de statistieken van het Productschap Vis komt ODUS tot de volgende cijfers met betrekking tot het economisch belang van de schelpdiersector:
- Werkgelegenheid schelpdiersector (schepen, handel, verwerkende industrie en distributie): 3000 mensen.
- Aanvoerwaarde mosselen: 70 miljoen euro per jaar.
- Jaarlijkse omzet mosselen: 160 miljoen euro per jaar.
- Aanvoerwaarde kokkels: 15 miljoen euro per jaar.
- Exportwaarde kokkelsector: 65 miljoen euro per jaar.
- Totale exportwaarde schelpdiersector: 300 miljoen euro per jaar.
Deze cijfers geven aan dat de Commissie Meijer het economisch belang van de mossel- en kokkelsector onderschat. Bovendien gaat de aandacht uit naar de aanvoerzijde en wordt het economisch belang in de rest van de keten en de toeleverende industrie onderbelicht.
Kokkelvisserij binnen natuurgrenzen
De Commissie Meijer adviseert om een verduurzaming van de kokkelsector te realiseren, waarbij zij zich inhoudelijk deels baseert op door ODUS gedane voorstellen. De voorwaarden die aan verduurzaming gekoppeld worden, zijn echter dermate stringent dat deze omschakeling bij voorbaat kansloos is. We plaatsen de volgende kanttekeningen:
- Gezien de grote afhankelijkheid van een goede broedval voor het slagen van de experimenten met verzaaien, zal de door de Commissie Meijer gestelde termijn van zeven jaar in moeten gaan vanaf het moment dat het eerste experiment gestart is. Voor het verzaaien moet namelijk worden beschikt over een ruime voorraad kokkelbroed. Gemiddeld vindt maar een maal per zes jaar zo’n goede broedval plaats.
- Binnen de gestelde termijn, beginnend vanaf de start van het eerste experiment, kan alleen ingezet worden op verduurzaming van het visserijbeheer (voortzetting clustervissen, uitdunnen dichte bestanden en verzaaien kansarme kokkels). De benodigde investeringen op het terrein van visserij-infrastructuur (andere korren, andere schepen) kunnen in een dergelijke periode niet door de sector worden opgebracht.
- 1% van de Waddenzee mag worden bestemd voor kweekgronden. Gedachte hierachter is dat dit overeenkomt met de jaarlijkse gemiddelde bevissing door kokkelvisserij. De commissie gaat er volledig aan voorbij dat het gehele verzaaitraject nog moet worden ontwikkeld en dat de uitkomsten nog niet bekend zijn. De onderbouwing voor de 1%-kadering ontbreekt dan ook volledig.
- De opvisgebieden en kweekgebieden moeten buiten gebieden liggen die gunstig zijn voor de ontwikkeling van mosselbanken en zeegras en die foerageergebieden zijn. Hiermee is duurzamere kokkelvisserij bij voorbaat onmogelijk. Kokkels komen voor in gebieden die op grond van habitatkarakteristieken ook gunstig zijn voor mosselbanken en zeegras. Op basis van figuur 5 (voorgestelde gesloten gebieden) wordt duidelijk dat de mogelijkheden voor kokkelvisserij dermate worden ingeperkt, dat rendabele visserij onmogelijk is. Kokkelvisserij heeft geen negatieve effecten op de ontwikkeling van nog niet aanwezige mosselbanken en zeegrasvelden. Het bij voorbaat sluiten van kansrijke gebieden zal niet bijdragen aan de ontwikkeling van biotopen, maar zal wel grote gevolgen hebben voor de visserijmogelijkheden. Gerichte sluiting van deze gebieden via de visplannen (maatwerk) leidt daarentegen tot win-win situaties.
- In zijn eigen toekomstplannen houdt de sector rekening met het begrip ecologische voedselbehoefte (hetgeen in het huidige beleid overigens ook al deels gebeurt door alleen kokkels in dichtheden >50/m2 mee te rekenen). De berekende behoefte in EVA II moet gezien de kritische kanttekeningen die bij de modellen geplaatst zijn, nog eens worden bezien. De in EVA II berekende behoefte biedt geen ruimte voor kokkelvisserij. De formule die de Commissie Meijer voorstelt komt op een nog hogere behoefte uit en op de formule zelf kan ook de nodige kritiek worden gegeven. Wij zijn van mening dat reserveren een eindige maatregel is die bovendien niet goed werkt. Een verbetering van het voedselaanbod moet niet gezocht worden in het verhogen van het aantal kilo’s schelpdiervlees, maar moet worden bereikt doordat ingezet wordt op een goede spreiding van het voedsel (kokkels en droogvallende mosselbanken). De plannen van ODUS zijn hierop gericht. De Commissie Meijer gaat daar volledig aan voorbij.
- Onduidelijk is of de kokkels in de kweekgebieden ook meetellen in de voedselreservering. Hoewel deze kokkels beschikbaar zijn voor vogels, zijn wij van mening dat het niet zo kan zijn dat deze kweekkokkels niet zouden mogen worden opgevist in het kader van voedselreservering. Het mogen opvissen van gekweekte kokkels is een absolute voorwaarde voor instandhouding van de kokkelsector.
- Het sluiten van de 50% meest kansrijke platen voor de ontwikkeling van mosselbanken, zoals wordt voorgesteld, betekent effectief het einde van de mogelijkheden om op kokkels te vissen. Nagenoeg het volledige kokkelbestand bevindt zich in dit gebied. De commissie wil onder voorwaarden kokkelvisserij in dit gesloten gebied wel toestaan, maar de eisen die daaraan met name met betrekking tot de foerageermogelijkheden van vogels gesteld worden, lijken geen oplossing te bieden.
Mosselvisserij binnen natuurgrenzen
Voor de mosselvisserij worden zeer vergaande maatregelen voorgesteld, die voor een deel onhaalbaar zijn en waarvoor de onderbouwing ontbreekt. De Commissie Meijer gaat voorbij aan de voorstellen voor een duurzamere mosselvisserij- en kweek die door ODUS zijn gedaan. Wij plaatsen de volgende kanttekeningen:
- Binnen zeven jaar moet de volledige mosselzaadbehoefte gerealiseerd worden via alternatieve zaadwinmethoden:
1. De onderbouwing voor deze randvoorwaarde, ook wat betreft de gekozen periode van zeven jaar, ontbreekt volledig. Mosselkweek maakt al 100 jaar integraal deel uit van het Waddenzee-ecosysteem en heeft zelfs een stabiliserende werking op het systeem (graascontrole, regeneratie van nutriënten). Ook draagt de kweek bij aan een natuurlijke voedselketen. Zie de EVA II resultaten.
2. De jaarlijkse mosselzaadbehoefte is 65 miljoen kilo. Met de bestaande technieken kan deze behoefte niet uit alternatieve zaadwinmethoden worden getrokken. Ter illustratie: De meest optimistische schatting van E-Connection is dat wanneer alle geplande windmolens in zee zijn gebouwd, ongeveer 25% van de behoefte aan mosselzaad in zee kan worden gerealiseerd. Er staat thans nog niet één windmolen. Aangezien LNV momenteel niet toestaat dat er op grotere schaal in de Waddenzee op alternatieve wijze mosselzaad wordt gewonnen, is een termijn van zeven jaar voor omschakeling niet realistisch. Ook hierbij geldt dat de opbrengst van alternatieve zaadwinmethoden in de kustwateren hooguit aanvullend kunnen zijn.
- Volgens de Commissie Meijer is visserij op de platen mogelijk onder twee voorwaarden (pagina 42). Beide voorwaarden golden ook ten tijde van het beleidsbesluit 1998-2003 met dien verstande dat in voorwaarde 2 het noemen van april als termijn nieuw is. In het beleidsbesluit heette het dat zich ontwikkelende mosselbanken niet mochten worden bevist. Wanneer deze voorwaarden in stand blijven, zal visserij op de platen evenals in de afgelopen jaren een theoretische mogelijkheid blijken te zijn. De praktijk is dat bij een goede zaadval op de platen, er meer dan 40 miljoen kilo mosselzaad in het sublitoraal ligt. Overigens kon onder het oude beleid het streefgetal 65 miljoen kilo over drie jaar gemiddeld ook niet worden gehaald. Een veelvoud daarvan is de afgelopen jaren van de platen weggestormd. De Commissie Meijer gaat voorbij aan de resultaten van het Jan Louw-onderzoek uit EVA II waaruit blijkt dat het mogelijk is om mosselzaad te halen van droogvallende banken zonder dat dit tot extra verlies van deze banken leidt. In het sublitoraal kan dan zaad worden gespaard. Er is dus een duidelijke efficiencyslag te behalen die ten goede komt aan visserij en natuur en die de Commissie Meijer niet meeneemt in zijn overwegingen.
- Op basis van figuur 5 (voorgestelde gesloten gebieden) wordt duidelijk dat de commissie alleen mogelijkheden ziet voor een eventuele zaadvisserij op de platen (conform het Jan Louw-principe) in het westelijk deel van de Waddenzee. Deze zijn echter van zo’n geringe betekenis voor mosselzaadval dat de commissie hier feitelijk niets biedt.
- Evenals bij de voedselreservering voor scholeksters (kokkels) zijn ook bij de voorgestelde formule voor de voedselreservering eidereenden (mosselen) inhoudelijke kanttekeningen te plaatsen. Deze kunnen, indien nodig, aanvullend worden toegelicht.
- Deze reserveringen, in combinatie met het sluiten van delen van het sublitoraal (voorgesteld wordt 2500 tot 5000 ha), brengen de sector in een neerwaartse spiraal. Op deze wijze wordt de toegedichte zeven jaar al niet meer gehaald.
Yerseke, 1 april 2004
Stichting ODUS
December 2003
“Voor wie de afgelopen jaren alleen naar de milieuorganisaties had geluisterd, bevatte de donderdag gepresenteerde studie naar de effecten van de schelpdiervisserij zowaar groot nieuws. Behalve de mechanische kokkelvisserij zijn er nog een paar factoren die de biodiversiteit van de Waddenzee beïnvloeden, en vergeleken daarmee is de kokkelvisserij zelfs maar een kleintje.”
Wie mij enkele maanden geleden zou hebben gevraagd in welke krant deze conclusie geplaatst zou worden, had ik niet direct kunnen antwoorden. Maar ik weet zeker dat ik niet de Volkskrant zou hebben genoemd. Met de uitkomst van het EVA2-onderzoek lijkt eindelijk een hoofdstuk te kunnen worden afgesloten; niet langer zijn alle ecologische veranderingen in het Waddengebied vanzelfsprekend te herleiden tot de kokkelvisserij. Een nieuw hoofdstuk lijkt zich te openen met als centrale vraag ´Hoe gaan we - dat wil zeggen allen die zich betrokken voelen met de Waddenzee - verder?´
U kunt zich voorstellen dat vanuit de sector de afgelopen maanden met veel belangstelling is uitgekeken naar de resultaten van de ruim 20 onderzoeken naar de gevolgen van de schelpdiervisserij op het Wad. Vooral ook in de hoop dat hiermee een einde komt aan gekissebis tussen de milieuorganisaties en de sector als het gaat om wetenschappelijk materiaal dat de gevolgen van de visserij in beeld brengt. De belangrijkste conclusie voor mij is misschien wel de bevestiging dat de ontwikkelingen in de Waddenzee voortkomen uit een samenspel van factoren, waarbij de schelpdiervisserij er één van de vele is. Het gebied wordt gekenmerkt door een grote dynamiek, waarin oorzaak en gevolg niet altijd eenduidig zijn vast te stellen. Dit blijkt ook uit de aanbeveling van het EVA2-onderzoek om de ontwikkelingen in het gebied voortdurend te volgen, zodat bepaalde ontwikkelingen tijdig kunnen worden gesignaleerd en het beleid eventueel kan worden aangepast. En hiermee kom je bij de kern van duurzaam vissen, te weten: dynamisch beheer. Niet het beleid moet bepalend zijn; het Waddengebied zelf moet leidend zijn als het gaat om de beleidsvorming.
De milieuorganisaties hebben zich de afgelopen week een slecht verliezer getoond, voor zover er in deze discussie van verliezers en winnaars kan worden gesproken.Centraal moet tenslotte staan hoe verder te gaan met de Wadden. De berichtgeving van deze organisaties blijft echter negatief van toon en weinig coöperatief. En dit vind ik oprecht jammer aangezien het rapport voldoende aanleiding geeft om de dialoog met elkaar aan te gaan en te kijken hoe gezamenlijk verder te gaan.
Het nieuwe jaar staat voor de deur. Een spannend jaar, want ondanks de resultaten van EVA2, ligt de uiteindelijke beslissing in politiek Den Haag. Ik ben optimistisch gestemd. Maar eerst start de maatschappelijke consultatieronde, die naar ik hoop een eerste stap zal zijn naar een open dialoog met alle betrokkenen die het belang van de Waddenzee hoog op de agenda hebben staan. Ik ben benieuwd naar de reacties en opinies, maar ik hoop bovenal dat het zal gaan om een feitelijke consultatieronde, waarin iedereen de mogelijkheid heeft open te communiceren zonder ruis van onderzoeken, opiniepeilingen en makkelijke campagnes.
Ik wens u goede feestdagen.
Jaap Holstein
Artikel Weekblad Schuttevaer Onderzoek kokkel-zuigkop wint baggerprijs
Ir. Meindert Zwanenburg van IHC Holland heeft de International Association of Dredging Contractors (IACD) Award gewonnen met een afstudeeronderzoek aan de TU Delft naar een efficiënte en milieuvriendelijke sleepkop voor zuiginstallaties van kokkelvissers. Milieuorganisaties protesteren al jaren tegen de drie tot vijf centimeter diepe sleuven, die de kokkelvissers op schelpenbanken achterlaten. Dat is slecht voor het ecologische imago van de kokkelvisserij.
Het is uniek dat een visserijonderzoek een baggerprijs wint, maar de zuiginstallaties van kokkelvissers lijken dan ook sterk op die van sleephopperzuigers. De huidige sleepkop is in de jaren zeventig ontwikkeld en heeft aan de onderkant een verstelbare plaat met aan de achterkant stalen tanden met doorlaten van vijftien millimeter voor zand en kleine schelpen. De sleepkoppen zijn maximaal 1,25 meter breed en worden met 3-4 mijl voortgetrokken. Voorop zit een jetspuit die het zand loswoelt, zodat de plaat er makkelijker doorheen ploegt. Het is met name deze jetspuit die de sleuven veroorzaakt. Het meeste opgewoelde zand valt namelijk niet achter de sleepkop terug, maar wordt met water en schelpen naar boven gezogen. Aan boord worden de kokkels gescheiden, waarna zand en water teruglopen in zee. De hogedrukspuit vervuilt bovendien een deel van de kokkels met zand en de kokkels kunnen dat zand niet zelf naar buiten werken. Een derde nadeel van de huidige methode is, dat er vrij veel kracht voor nodig is. Vermindering van de spuitdruk leidt bij de huidige constructie tot overbelasting van de buis.
Bron: Weekblad Schuttevaer
|